>

Rowwad Vertaalcentrum — 367

26:1 Ta, Siem, Miem.[1]

26:2 Dit zijn de verzen van een duidelijk boek.

26:3 Het kan zijn dat jij jezelf zult vernietigen door verdriet omdat zij geen gelovigen worden.

26:4 Als Wij gewild zouden hebben, dan hadden Wij uit de hemel een teken kunnen sturen waarvoor zij hun nekken in nederigheid zouden buigen.

26:5 En er komt van de Barmhartige geen vermaning als openbaring of zij keren zich daarvan af.

26:6 En voorzeker, zij hebben het ontkent, dus zal het nieuws waarover zij gespot hebben tot hen komen.

26:7 Bekijken zij de aarde dan niet – hoeveel goede soorten Wij daarop hebben laten groeien?

26:8 Waarlijk, hierin is een teken maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.

26:9 En waarlijk, jullie Heer! Hij is echt de Almachtige, de Genadevolle.

26:10 En (gedenk) toen jullie Heer Moesa riep (zeggende): “Ga naar het volk dat onrechtvaardig is, -

26:11 Het volk van Farao. Zullen zij Allah dan niet vrezen en rechtgeleid worden?”

26:12 Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik vrees dat zij mij zullen verloochenen,

26:13 En dat mijn borst beklemd raakt en dat mijn tong zich niet goed uit. Laat Haaroen dus komen (hier zien we het belang van een persoon die steun geeft in het geloof, zeer belangrijk voor elke moslim).

26:14 En zij beschuldigen mij van een misdaad, en ik ben bang dat zij mij zullen doden.”

26:15 Allah zei: “Nee! Gaan jullie beiden met Onze tekenen na de Farao. Waarlijk! Wij zullen bij jullie zijn, luisterend [1].

26:16 En wanneer jullie beiden tot de Farao komen zeg: “Wij zijn de Boodschappers van de Heer van de werelden.

26:17 Laat dus de Kinderen van Israël met ons mee gaan.”

26:18 (Farao) zei: “Hebben wij jou niet als kind van ons opgevoed? En jij hebt vele jaren van je leven bij ons mogen wonen.

26:19 En je hebt je daad gepleegd, wat je gedaan hebt. En jij bent één van de ondankbaren.”