Rowwad Vertaalcentrum — 320
20:114 Dan hoog boven alles is Allah, de ware Koning. En haast je niet met de Qor’aan voordat Zijn openbaring volledig aan jou is gegeven en zeg: “O Heer! Vermeerder mij in kennis [1]."
20:115 En voorwaar, Wij sloten een verbond met Adam (betreffende de ‘verboden boom’ alvórens hij ervan at), maar hij vergat (Ons wederzijds verbond) en bemerkten Wij van zijn zijde geen vastberadenheid (en geduld in het naleven van Ons gebod).
20:116 En (gedenk) toen Wij tegen de engelen zeiden: “Kniel neer voor Adam.” Zij knielden (allen) neer behalve Iblies, die weigerde.
20:117 Toen zeiden Wij: “O Adam! Waarlijk, dit is een vijand voor jou en je vrouw. Laat hem niet jullie beiden uit het paradijs verjagen, zodat jullie aan de ellende overgeleverd zijn [1].
20:118 Waarlijk, jullie hebben (een belofte van Ons) dat je nooit honger zult hebben noch naakt zal zijn.
20:119 En jullie (zullen) daar niet aan dorst lijden noch van de hitte van de zon.”
20:120 Daarop fluisterde Shaytaan hem in (het oor): “O Adam! Zal ik je naar de ‘boom van het eeuwige leven’ leiden, en naar een koninkrijk dat nooit zal vergaan?”
20:121 Toen aten zij beiden van de boom en dus verschenen hun geslachtsdelen voor hen, en zij begonnen zichzelf met de bladeren van het paradijs te bekleden voor hun bedekking. Dus was Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en zo dwaalde hij [1].
20:122 Toen koos zijn Heer hem uit en keerde zich in vergeving tot hem en gaf hem leiding. [1]
20:123 (Allah) zei: “Daal af jullie twee samen, sommigen van jullie zijn een vijand voor de anderen. Dan als er leiding van Mij komt, iedereen die Mijn leiding volgt zal niet dwalen noch zal hij aan de ellende overgeleverd zijn.
20:124 Maar iedereen die zich afwendt (door geen berouw te tonen) van het gedenken van mij (geen band onderhouden met Allah) – waarlijk, voor hem (heb Ik) een benauwd leven in petto, en Wij zullen hen op de Dag der Opstanding blind laten verrijzen (omdat zijn hart ook blind was).”
20:125 Hij zal zeggen: “O mijn Heer! Waarom heeft U mij blind laten verrijzen, terwijl ik (vroeger) kon zien.”