Rowwad Vertaalcentrum — 301
18:62 En toen zij verder waren gegaan, zei Moesa tegen zijn jonge knecht: “Breng ons ons ontbijt, waarlijk, wij zijn erg moe geworden in deze zware reis.”
18:63 Hij zei: “Weet je nog dat wij onszelf bij die rots hebben neergelegd? Waarlijk, ik was de vis beslist vergeten en niemand anders dan Shaytaan heeft mij doen vergeten om mij hem te herinneren. Het heeft zijn weg op een vreemde (manier) naar de zee gevonden!"
18:64 (Moesa) zei: “Dat is waar wij naar gezocht hebben.” Dus keerden zij op hun voetsporen terug.
18:65 Toen vonden zij één van Onze dienaren (Dhoel-Qarnain, een rechtschapen man), die Wij Onze genade hadden gegeven, en die Wij in Onze kennis onderwezen hadden.
18:66 Moesa zei tegen hem (Khidr): “Mag ik je volgen zodat u mij iets van die kennis wat u onderwezen is kan leren [1]?
18:67 Hij (Khidr) zei: “Waarlijk! Jij zou niet in staat zijn om geduld met mij te hebben!
18:68 En hoe kun je nu geduld hebben over iets waar je geen kennis van hebt?”
18:69 Moesa zei: “Als Allah het wil zult u mij geduldig vinden en ik zou u niet in het minste ongehoorzaam zijn.”
18:70 Hij zei: “Volg mij dan, maar vraag mij niet tot ik het zelf bij jou te berde breng.”
18:71 Dus gingen zij beiden verder tot zij in de boot waren, toen maakte een gat erin. Moesa zei: “Heb je de boot beschadigd?” Waarlijk, jij hebt iets kwaads verricht.
18:72 Hij zei: “Heb ik je niet verteld dat je geen geduld met mij zou kunnen hebben?”
18:73 (Moesa) zei: “Roep mij niet ter verantwoording voor wat ik vergeten ben, en wees niet streng voor mij in mijn zaak (met u).”
18:74 Toen gingen zij beiden verder, tot zij een jongen tegenkwamen, hij doodde hem. Moesa zei: “Heeft u een onschuldig persoon gedood die niemand vermoord heeft? Waarlijk, u heeft een vreselijke daad verricht.”