Rowwad Vertaalcentrum — 292
17:97 En hij die door Allah geleid wordt, hij wordt recht geleid, maar hij die Hij laat dwalen, voor zo iemand kunnen jullie geen helpers naast Hem vinden en Wij zullen hen op de Dag der Opstanding op hun gezichten doen opwekken terwijl zij blind, stom en doof zijn, hun verblijfplaats zal de hel zijn en als het afneemt zullen Wij voor hen de felheid van het vuur doen toenemen[1].
17:98 Dat is hun vergelding omdat zij Onze tekenen ontkenden en zeiden: “Als wij tot botten en stof vergaan zijn, zullen wij dan werkelijk als een nieuwe schepping herrijzen?”
17:99 Zien zij dan niet dat Allah, Die de hemelen en de aarde geschapen heeft, in staat is om het gelijke daarvan te scheppen. En Hij heeft voor hen tot een vastgestelde termijn besloten, waar geen twijfel over is. Maar de onrechtvaardigen weigeren (de waarheid en accepteren niets anders) dan ongeloof.
17:100 Zeg: “Als jullie de schatten van de genade van mijn Heer bezaten, dan zouden jullie zeker jullie weerhouden (van het uitgeven) uit vrees dat (het uitgeput zou raken) en de mens is altijd gierig!”
17:101 En voorwaar Wij gaven Moesa negen duidelijke tekenen. Vraag dan de Kinderen van Israël toen hij tot hen kwam, en de Farao tegen hem zei: “O Moesa! Ik denk inderdaad dat jij betoverd bent.”
17:102 (Moesa) zei: “Waarlijk jij weet dat deze tekenen door niemand anders dan door de Heer van de hemelen en de aarde als duidelijk naar beneden zijn gestuurd. En ik denk zeker O Farao dat jij tot de vernietiging gedoemd bent!”
17:103 Dus liet hij hen uit het land verwijderen. Maar Wij verdronken hem en allen die met hem waren.
17:104 En na hem zeiden Wij tot de Kinderen van Israël: “Woon in het land, en als de uiteindelijke en laatste belofte (de Dag des oordeels) nadert op aarde. Dan brengen Wij jullie op als een gemengde menigte [1]."