Rowwad Vertaalcentrum — 246
12:87 O mijn zonen! Ga en informeer over Yoesoef en zijn broeder en geef nooit de hoop over Allah Zijn genade op. Voorzeker, niemand wanhoopt aan Allah Zijn (verlichtende) genade behalve de mensen die niet geloven.”
12:88 Toen zij toen bij hem (Yoesoef) kwamen, zeiden zij: “O heerser van het land. Wij en onze familie zijn door moeilijke tijd getroffen, en wij hebben maar een klein kapitaal meegebracht, geef ons dus de volle maat en geef ons liefdadigheid. Waarlijk, Allah beloont de liefdadigheid.”
12:89 Hij zei: “Weten jullie wat jullie met Yoesoef en zijn broeder hebben gedaan, toen jullie onwetend waren?”
12:90 Zij zeiden: “Ben jij werkelijk Yoesoef?” Hij zei: “Ik ben Yoesoef en dit is mijn broertje. Allah is ons zeker genadig geweest. Waarlijk, degene die Allah vreest met gehoorzaamheid aan Hem en geduldig is, dan zeker, Allah zorgt ervoor dat de beloning van de weldoeners niet verloren gaat.”
12:91 Zij zeiden: “Bij Allah! Voorwaar, Allah heeft jou boven ons uitverkoren en wij zijn zeker zondaren geweest.”
12:92 Hij zei: “Op deze dag is er voor jullie geen verwijt, moge Allah jullie vergeven en Hij is de Genadevolle van degenen waarvoor Hij genade toont!
12:93 Ga met mijn hemd en leg het over het gezicht van mijn vader, hij zal dan ziende worden en breng mij al jullie familie.”
12:94 En toen de karavaan vertrok, zei hun vader: “Ik ruik zeker de geur van Yoesoef, als jullie mij maar niet als kinds zien.”
12:95 Zij zeiden: “Bij Allah! Zeker, jij maakt een oude vergissing.”